Geschiedenis

De scheepvaart op de Regge was vrijwel geheel in handen van de Enterse schippers, hoewel er ook wel schippers uit Almelo en Hellendoorn kwamen. Het hoogtepunt van de zompvaart lag zo rond 1800, toen waren er wel 125 van deze vrachtschepen in de vaart. 

De zompen zijn, voor zover bekend, allemaal op Enterse scheepswerven gebouwd. De naam Schuitemaker is er (althans in Enter) aan te danken, toen de eerste Enterse predikant (die daar stond van ca. 1706 – 1725) een zekere Timmer-Tönnis in het doopboek voorzag van de aantekening (“oft Schuytemaker”) . Een andere scheepsbouwer was Van de Berg, die de Koelenwaarf beheerde.

Van der Aa telt in zijn Aardrijkskundig Woordenboek van 1847 “meer dan 60 schippers”, waarbij hij aantekent dat “de schuiten, die hier gebouwd worden, bekend zijn als de voortreffelijkste van Twenthe”. En: “Aanzienlijk ook is het aantal klompen, dat hier vervaardigd en bij duizende vervoerd wordt naar elders, inzonderheid naar Friesland”. Met de zomp, dus. Ook citeert van der Aa een zinnetje waaruit blijkt dat al in 1404 over de scheepvaart op de Regge gesproken wordt. Een extra impuls vormde de ontwikkeling van de textielindustrie in Goor en later in Nijverdal en de jute-industrie in Rijssen. Door de aanleg van de straatweg van Almelo naar Zwolle (1823) en de spoorlijn in 1888 van Deventer naar Enschede kwam er een einde aan het moeizame varen. Een aparte vermelding verdient de turfschipperij van Vriezenveen, waar kleine zompen de turf uitventten tot ver in Twentse dorpen en steden, via kleine beekjes (o.a. De Schipsloot, De Lee, de Loolee de Bornse- en de Bornerbroekse beek, enz.) en slootjes naar b.v. Borne. Turf was een belangrijke brandstof in de tijd dat van steenkool nog nauwelijks gebruik werd gemaakt.

Her en der vermeldt men getallen van zompen of zompschippers: in 1851 passeren 3700 zompen de plaats Ommen, in1770 waren er 80 schippers, in 1795: 83, in 1832: 100, in 1840: 60, in 1857: 44 en in 1864: 40. In 1795, bij de volkstelling, waren er 307 gezinshoofden in Enter, waarvan 83 schipper waren. Ze moeten er al van oudsher geweest zijn. Van der Aa citeert een zinnetje uit 1404: “dat alle hoer Borghere, die nu of hier naamaals om oer neringen myt potten varen in die Vechte ende in die Regde, vrij soelen heen varen.” Waarom Enter zo’n zompen- en klompencentrum vormde, is vooral te danken aan de nabijheid van de Regge, de grote hoeveelheid bomen in het Reggedal en verdere omstreken, en het specifieke vakmanschap der timmerlieden. En de eerste met name genoemde schipper was Timmer-Tönnis, die in 1685 geregistreerd werd.

 

Een extra impuls voor de zompschippers vormde de ontwikkeling van de textielindustrie, vooral te danken aan de Nederlandse handel Maatschappij, aan haar directeur Willem de Clercq en de introductie van de snelspoel, de stichting van weefscholen in Goor en Enter (1834) de stichting van de plaats Nijverdal en de oprichting van een jutefabriek in Rijssen. De aan- en afvoer van de grondstoffen en eindproducten (balen katoen en jute, callicots (lappen katoen van 25 meter, 60 cm breed) was volkomen afhankelijk van de Reggevaart. Pas na de aanleg van de straatweg van Zwolle naar Almelo (1823) en de aanleg van spoorlijnen (langs Rijssen in 1888) en de aanleg van het Bellootje van Neede naar Hellendoorn (1910) kwam er een definitief einde aan het moeizaam geworstel op de Regge.

De Regge kronkelde extreem, omdat de overheden niets meer deden aan de verbetering van die rivier en er gevaren werd terwijl er geen water was. Dat gebeurde in tijden dat de Regge bijna of helemaal droog lag. Dan bouwden de schippers een dam van ca. 1 meter hoog, en was het wachten geblazen tot het water genoeg gestegen was. Na het doorsteken van die dam moest er snel en buitenwoon behendig in convooi door de sleuf heen gevaren worden. Een uur gaans verderop kon het graven opnieuw beginnen.

Jans ten Berge hield na het stopzetten van zijn onderneming zijn zomp aan voor de pleziervaart. Toen een van zijn scheepsmaten verdronk, in 1939, legde hij de zomp op. Een textielbaron financierde het transport naar het Openluchtmuseum in Arnhem in 1942, waar de zomp aan het eind van de oorlog door een granaat getroffen werd. De restanten kwamen in het Zuiderzeemuseum terecht, waar ze vandaan gehaald werden voor de reconstructieopbouw in de Oranjerie van kasteel Twickel in Delden, door de al genoemde Gerrit Schutten. Na wat omzwervingen kwamen de restanten uiteindelijk in het zompenmuseum in Enter terecht.

De zompen vervoerden – in feite bij gebrek aan goede landwegen (die ’s zomers mul en ’s winters te drekkig waren) – alles wat maar nodig was voor het dagelijks leven. Hout van en naar Sneek, grondstoffen en eindproducten voor de textielindustrie, klompen, dakpannen, kisten met eieren, vaatjes jenever. Antieke klokken en kasten uit Friesland, houtskool uit Delfzijl, bieten uit Lemelerveld, graan, bomen, hammen, enz, en zo voort.

Door de aanleg van de straatweg van Almelo naar Zwolle (1823) en de spoorlijn in 1888 van Deventer naar Enschede kwam er een einde aan het moeizame varen.

 

Geluidsfragment

Zou u het verhaal wel eens willen horen van iemand die zelf vele tochten met een zomp maakte? Albert ten Brinke ('Pluumers Ab') voer als jongen mee met z'n vader en maakte vele reizen naar Zwolle, Friesland en Groningen. Klik op de foto hierboven voor een geluidsopname uit 1981 met de toen 93-jarige ten Brinke en een leeftijdsgenoot, met als interviewer Frits Velten. (totaal 45 minuten, volume flink hoger zetten)

Laatste nieuws

VOOR MEER NIEUWS >>

Varen waar geen water is

ZOALS HET GING EN ZOALS HET GAAT

De Regge

De Regge is een regenrivier die vroeger al het water opving en als riool gebruikt werd. Nu is zij helder en zo schoon dat zelfs het ijsvogeltje weer is te zien.

Lees verder

Overtoom

Wie kent niet het woord overtoom? In de Regge passeert de zomp twee stuwen met hulp van overtomen, een lorrie waar de zomp opvaart en naar de andere kant getrokken wordt.

Lees verder

Geschiedenis

De Regge was wat nu de A1 is, dé levensader van Twente naar de Hanzesteden Zwolle en Kampen. 200 jaar geleden voeren hier honderden Enterse zompen en nu weer drie.

Lees verder

De Zompen

De zomp is een eikenhouten platbodem van ± 12 meter lang met fokzeil en grootzeil. Een fantastisch zeilschip en goed bestuurbaar en zeer geschikt voor ondiep water.

Lees verder